Willemswerf

Het initiatief voor de bouw van Willemswerf is genomen door Koninklijke Nedlloyd dat in 1983 een nieuw hoofdkantoor zocht. Men had 20.000 m2 nodig met een marge van 5.000 m2, ervan uitgaande dat het niet verstandig is een gebouw precies op maat te maken. Uiteindelijk neemt Nedlloyd ruim twee derde van de ruimte in, de rest wordt verhuurd aan andere bedrijven.

 

In totaal zijn 24 locaties onderzocht. De Boompjes bleek het beste bereikbaar met het openbaar vervoer en met de auto.

 

Aan de architect W.G. Quist werd de opdracht verstrekt een zo flexibel mogelijk kantoor te ontwerpen. Zo’n groot gebouw op zo’n klein bouwterrein maakt het noodzakelijk dat men de hoogte ingaat. Quist heeft het concept in slechts drie weken vastgelegd.

 

Verdeeld over 24 (bouw) lagen bevat het pand ruim 37.000 m2 netto vloeroppervlak. Het netto vloeroppervlak van de 16 kantoorverdiepingen verloopt van ruim 2.000 m2 tot ruim 1.600 m2.

 

Het is in Rotterdam overigens lang ongewenst geacht om het rivierfront een ander aanzicht te geven door hoger te bouwen dan zes a zeven verdiepingen. Dat op deze plaats uiteindelijk Willemswerf kon verrijzen heeft met de gewijzigde opvatting over de stadsontwikkeling te maken.

 

Een (verder voor altijd onbekend gebleven) stafmedewerker van de gemeente Rotterdam laat begin 2010 weten dat nieuwbouw langs het rivierfront bijvoorkeur niet hoger dan “Willemswerf” zal moeten zijn, om de hoogbouw in het centrum zichtbaar te houden vanaf ondermeer de van Brienenoordbrug.